R23. Natuurinrichting 

Binnen het projectgebied worden de verworven percelen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant ingericht als natuur, zie Figuur 1.6‑7. De nieuwe hydrologische situatie na het beekherstel past bij de gekozen ambitietypen. Op de percelen met een grasland-ambitietype (zoals Kruiden- en faunarijk grasland, Vochtig hooiland, Nat schraalland en Weidevogelgrasland) zal de natuurinrichting middels langjarig beheer worden gerealiseerd. Dit beheer wordt conform het voorgeschreven beheer van de ambitietypenkaart uitgevoerd. In praktijk betekent dit dat de percelen worden gemaaid en dat het maaisel wordt afgevoerd om het fosfaatgehalte van de bodem te laten dalen. De percelen zullen zich door deze wijze van inrichten gelijkmatig ontwikkelen. Door het hydrologisch herstel (verondiepen van de Reusel en het dempen van zijwatergangen) rijkt de kwel tot hoger in het maaiveld. Deze ijzerrijke kwel zorgt ook voor afvoer van fosfaat. Dit zijn langjarige trajecten, waardoor het enige tijd zal duren voordat het gewenste beeld van de grasland-ambitietypen (Figuur 1.6‑5) zich heeft ontwikkeld. Ondanks de langere doorlooptijd van de natuurontwikkeling is bewust gekozen voor de natuurinrichting middels beheer. Uit het fosfaatonderzoek blijkt immers dat het fosfaatgehalte in de bodem op de meeste plaatsen te hoog is en te diep in de ondergrond zit, waardoor een maaiveldverlaging om de natuurontwikkeling te versnellen een kosteninefficiënte maatregel bleek.

Op één locatie (zie Figuur 1.6‑8) wordt de fosfaatrijke toplaag wel ontgraven, omdat hier met een beperkte inspanning (maaiveldverlaging van maximaal 20 cm) het fosfaatgehalte terug kan worden gebracht tot waardes waarbij het ambitietype Vochtig hooiland zich naar verwachting snel kan ontwikkelen.

Figuur 1.6‑5: Referentiebeelden grasland-ambitietypen (bron: Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN))

Naast de ontwikkeling van grasland-ambitietypen wordt aansluitend op de bestaande bospercelen in het beekdal bos aangeplant. De bospercelen worden beheerd als Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) of Dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), zie Figuur 1.6‑6. Naast het aanplanten van bossen worden diverse bossen ook omgevormd van het ene bostype naar het andere. Dit wordt in de volgende alinea verder geduid.

Figuur 1.6‑6: Referentiebeeld bossen (bron: Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN))

Figuur 1.6‑7 laat een totaaloverzicht van de natuurinrichting zien. Op deze kaart is weergegeven op welke percelen er daadwerkelijk inrichting, danwel omvorming, gaat plaatsvinden om het ambitietype te kunnen realiseren. Voor een deel van het projectgebied geldt dat het gewenste ambitietype al aanwezig is, zie Figuur 1.6‑9. Op deze percelen zal geen inrichting plaatsvinden.

Voor een deel van de percelen geldt dat het huidige natuurbeheertype omgevormd wordt naar het gewenste ambitietype. Dit betreft met name omvorming van productiebossen naar natuurlijker bossen, zoals Rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) en Dennen-, eiken-, of beukenbos (N15.02). Deze omvorming zal plaatsvinden door het beheer te wijzigen. Door het hydrologisch herstel, en daarmee vernatting van de bospercelen, worden de om Dit zijn langjarige trajecten en zullen niet allemaal gelijktijdig met de inrichting gerealiseerd worden. Nabij de Broekkant vindt rondom het centraal in het bos gelegen heidegebied een dergelijke omvorming plaats van naaldbos naar loofbos. Deze omvorming draagt bij aan het hydrologisch herstel van het gebied. De omvorming vindt plaats in de vorm van langjarig beheer door de gemeente Reusel de Mierden.

Een deel van het projectgebied is op dit moment al in beheer als natuurterrein. Hiervan is een deel in beheer bij Brabants Landschap en een deel is reeds in beheer gegeven via het Ondernemend Natuurnetwerk Brabant (ONNB), zie Figuur 1.6‑9. De percelen die op de maatregelenkaart zijn opgenomen als Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02), Kruiden- en faunarijke akker (N12.05) en Weidevogelgrasland (N13.01) komen in principe ook in aanmerking voor het ONNB. Hierdoor liggen er mogelijkheden om bedrijfsactiviteiten te combineren met de aanleg én instandhouding van nieuwe natuur.

In dit Projectplan wordt met de maatregelen ca. 89 ha nieuwe natuur gerealiseerd. Daarnaast wordt ca. 38 ha bestaande natuur omgevormd het gewenste ambitietype. In totaal vindt er op ca. 127 ha inrichting of omvorming plaats. De locaties en de ambitietypen zijn weergegeven in Figuur 1.6‑7.

Buiten dit projectplan wordt ca. 4,5 ha natuur ingericht door een particuliere grondeigenaar in het kader van het Ondernemend Natuurnetwerk Brabant. Verder ligt er binnen de projectgrens ca. 9 ha natuur waarvoor een hogere ambitie is opgenomen in het Natuurbeheerplan dan nu aanwezig. Deze omvorming, op percelen van derden, valt buiten de scope van dit projectplan. Tot slot voldoet op ca. 37 ha het huidige beheertype al aan het gewenste ambitietype. Op Figuur 1.6‑9 zijn de percelen weergegeven waar binnen dit Projectplan géén natuurinrichting plaatsvindt.

Na inrichting ontstaat binnen de projectgrens een aaneengesloten natuurterrein van in totaal ca. 176 ha.

Figuur 1.6‑7: Overzicht natuurinrichting
Figuur 1.6‑8: Overzicht af te graven percelen t.b.v. natuurinrichting
Figuur 1.6‑9: Geen natuurinrichting binnen dit Projectplan