Positieve effecten

Het maatregelenpakket wat nu voor u ligt is een resultante van verschillende onderzoeken die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn in samenhang met de voorgenomen maatregelen in het beekdal van de Reusel opgepakt. Zo zijn er meerdere Landschapsecologische Systeemanalyses (LESA’s) gemaakt en zijn hydrologische inzichtscenario’s ontwikkeld en doorgerekend om de gezamenlijke impact van hydrologische herstelmaatregelen van beide projecten in beeld te krijgen. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een samenhangend maatregelenpakket. Met de uitvoering van dit totaalpakket aan maatregelen wordt invulling gegeven aan het hydrologisch herstel, zoals dit is opgenomen in het N2000-beheerplan. Daarnaast worden de ecologische en landschappelijke waarden in het gebied versterkt. Tevens verbetert de waterhuishouding, doordat er langer water vast gehouden wordt en daarmee piekafvoeren worden verlaagd. Verder verbetert de waterkwaliteit door landbouwgebieden om te vormen naar natuur. Het omleggen van watergangen rondom het N2000-gebied zorgt ervoor dat er geen voedselrijk landbouwwater meer in de alluviale bossen kan komen. In het gebiedsproces zijn samen met de omgeving maatregelen gekozen om op een verantwoorde wijze het nieuw in te richten gebied recreatief te ontsluiten.

In de onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op de positieve effecten die het plan heeft op de verschillende aspecten. Daarnaast is er een Milieueffectrapportage (MER) opgesteld waarin de effecten van de verschillende maatregelen zijn afgewogen. De effecten van de maatrelen zijn daarin vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie betreft de huidige situatie inclusief alle maatregelen die in vastgestelde plannen, besluiten en autonome ontwikkelingen zijn opgenomen maar zonder de voorgenomen activiteiten uit dit Projectplan. In de MER is een beschrijving opgenomen van de referentiesituatie. De MER is opgenomen in bijlage A7 van dit Projectplan. De afweging heeft uiteindelijk tot een voorkeursalternatief (VKA) geleid. Dit voorkeursalternatief is vervolgens verder uitgewerkt in het Projectplan Waterwet. Het voorkeursalternatief is doorgerekend om de hydrologische effecten te bepalen.

Op basis hiervan zijn mitigerende maatregelen bepaald en vervolgens is het voorkeursalternatief met de mitigerende maatregelen opnieuw doorgerekend. De onderstaande paragrafen geven de effecten weer van deze laatste doorrekening.

(Grond)waterstand

Het maatregelenpakket is hydrologisch doorgerekend om de veranderingen in de (grond)waterstanden te bepalen. In bijlage A8 zijn de kaarten opgenomen van de resultaten van deze berekeningen.

Grondwaterstanden

  • De maatregelen zorgen ervoor dat grondwaterstanden stijgen. Onderstaande afbeelding laat de verandering van de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstanden zien die zullen plaatsvinden door de voorgenomen maatregelen. In deelgebied Utrecht-noord is duidelijk te zien dat de grondwaterstanden stijgen. De grondwaterstanden komen in dit deelgebied ter plaatse van de Vochtige alluviale bossen binnen het gewenste bereik. Daarmee wordt de toestroming van kwelwater tot in de wortelzone sterk verbeterd. De maatregelen in het deelgebied Raamsloop zorgen ook daar voor een stijging van de grondwaterstanden. Deze worden voornamelijk veroorzaakt door het verwijderen van gemaal RS90-GM1. Het positieve effect op de alluviale bossen ligt met name in de verbetering van de afvoersituatie (zie paragraaf Stroomsnelheid en afvoerpieken), en op het herstel van de kwel. Tot slot is in deelgebied Omleiding duidelijk te zien dat de grondwaterstanden daar stijgen waardoor de hydrologische situatie voor de zure vennen en de alluviale bossen sterk wordt verbeterd.

Verandering van de voorjaarsgrondwaterstanden t.o.v. de referentiesituatie (zie ook bijlage A8-4)

De grondwaterstandstijgingen hebben op de hogere gronden een positief effect doordat de droogteschade afneemt. In bijlage A8-14 is weergegeven wat de verandering van de droogteschade is op de agrarische percelen ten opzichte van de referentiesituatie.

De extra aanplant en ontwikkeling van bos (in totaal ca. 27 ha) zal deels plaatsvinden in de vorm van alluviaal bos (ca. 8 ha). Alluviaal bos ontwikkelt zich op de lage delen van het beekdal waar de grondwaterstanden en kweldruk hoog zijn. De al aanwezige zure vennen en alluviale bossen zijn gebaat bij een betere grondwateraanvulling. Op locaties waar de grondwaterstanden en kweldruk hoog zijn vindt sowieso weinig aanvulling van het grondwater plaats. Hierdoor zullen de effecten van de extra verdamping van het alluviale bos, die zorgt voor een verminderde grondwateraanvulling, op de al aanwezige zure vennen en alluviale bossen niet aanwezig zijn.

De overige bosontwikkeling zal zich met name richten op loofbos en bevindt zich deels op locaties waar wel infiltratie plaatsvindt die belangrijk is voor de verhoging van de GLG en het verbeteren van de kweldruk. De effecten van de genomen hydrologische maatregelen zullen iets verminderen door de aanplant van het bos maar het volledige maatregelenpakket heeft nog steeds een positief effect op de grondwaterstanden. Bovendien zorgt de aanplant van bos op de overgangen tussen landbouw en natuur voor extra invang van stikstof. Dit heeft een positief effect op de ontwikkeling van de zure vennen. De keuze om bos aan te planten, dan wel te laten ontwikkelen, komt voort uit de onlangs vastgestelde Bosstrategie van de Provincie Noord-Brabant en is in een bredere afweging gemaakt waarbij rekening gehouden is met de noodzakelijke CO2-vastlegging in het kader van klimaatverandering.

Waterstanden

  • Een van de doelen van de herinrichting van de Raamsloop is het herstellen van het natuurlijk peilregime binnen de projectgrenzen. Dit doel wordt bereikt doordat de stuwen in de Raamsloop worden verwijderd. Tevens wordt de bodemhoogte aangepast zodat deze op een natuurlijke wijze afloopt. Bij een gemiddelde afvoer in de zomer zal er in de nieuwe situatie een waterdiepte van ca. 20cm ontstaan.

Stroomsnelheid en piekafvoeren

  • Door de aanleg van de nieuwe meanderende beek met een kleiner profiel zal het beekdal eerder inunderen. Doordat het beekdal gaat inunderen wordt er langer water vastgehouden in het gebied. De directe afvoer van water zoals nu het geval is, neemt af. Hierdoor worden piekafvoeren in de beek afgevlakt waardoor benedenstrooms van het gebied, ter plaatse van de vochtige alluviale (beekbegeleidende) bossen, minder zal overstromen. De vermindering van inundaties met nutriëntrijk water is één van de ecologische vereisten vanuit het N2000-beheerplan voor dit habitattype. Het afvlakken van piekafvoeren wordt versterkt door het dempen, verondiepen en laten verlanden van zijwatergangen. Hiermee neemt de directe afvoer naar de Raamsloop af.

  • Inundatie in het beekdal vindt plaats op gronden die worden toegevoegd aan het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en omgevormd worden naar natuur. Inundatie vanuit de Raamsloop is daarmee geen probleem. In bijlage A8 zijn kaarten opgenomen van de inundatieduur en -diepte bij verschillende afvoerfrequenties (T=1, 10 en 100 jaar).

  • In onderstaande tabel is weergegeven op welke onderdelen de KRW-doelen behaald zullen worden met de herinrichting van de Raamsloop. Door de aanleg van de nieuwe loop in combinatie met het verwijderen van stuwen wordt de gewenste stroomsnelheid in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) naar verwachting behaald. Bij een zomerafvoer is de berekende gemiddelde stroomsnelheid over het hele profiel ca 10cm/s. Door variaties in het profiel en vegetatie worden lokaal de gewenste stroomsnelheden van meer dan 18cm/s ruimschoots gehaald. In de wintersituatie is de stroomsnelheid ca. 25-30 cm/s. Door het verwijderen van de stuwen wordt het verloop van de stroomsnelheid gelijkmatiger verdeeld.

  • De verhouding van de debietfluctuaties is sterk afhankelijk van de aanvoer van water van buiten het projectgebied. Met alleen de herinrichting binnen dit traject van de Raamsloop wordt dit KRW-doel niet behaald. De verhouding wordt wel licht verbeterd.

  • De KRW-doelstelling met betrekking tot de beschaduwing wordt op termijn ook gehaald. Op een deel van het beektraject zal aanplant van bomen plaatsvinden langs de beek. Ervaring uit andere beekhersteltrajecten leert dat er na herinrichting en door gericht beheer vanzelf ook beekbegeleidende beplanting ontstaat op de beekoevers.

Parameter

Doel

Huidig

Na herinrichting Raamsloop

Stroomsnelheid (zomergemiddelde)

> 18 cm/sec

Raamsloop: 5 cm/sec

Raamsloop: 15-20 cm/sec

Peilregime

Natuurlijk

Variabel gestuurd

Natuurlijk

Profieltype

Natuurlijk

Gekanaliseerd

Natuurlijk

Verhouding debietfluctuaties (piekafvoer/voorjaarsafvoer)

< 4

Raamsloop: 17

Raamsloop: 15,7

Beschaduwing (% oppervlak)

> 40%

< 10%

40-75%

Waterkwaliteit

  • Het aanplanten van struweel langs de beek zorgt voor de gewenste beschaduwing die het opwarmen van het beekwater moet voorkomen. Ongewenste plantengroei neemt af en de waterkwaliteit zal verbeteren. De waterkwaliteit neemt eveneens toe daar directe afwatering op de beek wordt verminderd. Gronden direct langs de beek zijn grotendeels verworven en worden omgezet naar natuur waardoor intensieve bemesting of het toepassen van bestrijdingsmiddelen zal afnemen.

  • Door toename van de stroomsnelheid en het verwijderen van stuwen zal er minder slibvorming plaatsvinden. Een verminderde slibvorming gaat eveneens bijdragen aan een betere waterkwaliteit. Minder plantengroei (door beschaduwing) en minder aanvoer van water uit agrarische percelen gaat eveneens bijdragen aan minder slibvorming. De verbetering van de waterkwaliteit zorgt er tevens voor dat er ook minder nutriëntrijk slib terecht komt, en achterblijft bij overstromingen, in de vochtige alluviale bossen benedenstrooms.

Omgeving, landschap en recreatie

  • De aanleg van een meanderende beek geeft het beekdal van de Raamsloop in beginsel zijn natuurlijke karakter terug. En door de gronden ten zuiden van de Neterselse en Mispeleindse Heide om te vormen naar natuur worden oorspronkelijke heidegronden hersteld.

  • Bij een integraal project als dit is een landschappelijke inpassing van groot belang. Met name bij de herinrichting van de Raamsloop is in overleg met het gebied gezocht naar vormen om de historische percelering terug te brengen in het beekdal, zonder dat het open karakter verloren gaat. Soorten die worden aangeplant zijn passend bij het beekdal en de omgeving.

  • Recreatiepaden in het gebied zijn opnieuw beschouwd en afgestemd op de natuurwaarden en recreatiebehoefte. Zo is ervoor gekozen een zonering aan te brengen zodat zowel de natuur als de recreant optimaal kunnen profiteren van het gebied. Door nieuwe paden aan te sluiten op reeds bestaande routes wordt met dit project bijgedragen aan een toekomstbestendig routenetwerk. In overleg met de streek zijn twee locaties voor nieuwe oversteken bepaald. Dit maakt de beek en haar beekdal beleefbaar en zorgt voor betrokkenheid uit de streek.